Arme Geert. Hij had het zo goed voor elkaar. Voor het overgrote deel danste de vaderlandse politiek naar zijn pijpen. Triomfantelijk keek hij toe hoe het land toehapte, telkens weer, als hij een absurde, kwaadaardig en gemeend lijkende provocaties het publiek in gooide. Geert bepaalde zonder mee te doen, pronkte met andermans veren en kreeg nooit de schuld. Hij wist het land te dom. Het land wàs zelfs dom, zo dom dat Geert wist hoe het te bespelen als bepaalde lieden, klein in getal, hardop zeiden wat Geert in zijn slechts op zijn zuiver persoonlijke belang gerichte kwaadaardigheid dacht en uitgewerkt had. Dat de grondwet op de schop zou gaan, de gelijkheid van de mensen voorop, dat mensenrechtenverdragen opgezegd zouden worden, wat die enkelingen zeiden. En Geert wìst dat ze gelijk hadden. Geringschatting zonder gevaar, nog wel.
Tot die enkelingen geen enkelingen meer waren en hun stem in steeds bredere kring werd gehoord. Nog even en Geerts snode plannen lagen op straat. Geert wist als geen ander dat het dan met hem gedaan zou zijn. Hij had het plan immers zelf bedacht, met inbegrip van de regels waaraan het moest voldoen en de wegen waarlangs hij het tot uitvoering zou brengen. In stilte was het zo lang goed gegaan. Het gezwel was nog net niet zichtbaar. Geduld, geduld.
Maar Geerts tegenstanders waren met teveel. Geert trad naar buiten en trok ten strijde. Hij probeerde angst te zaaien, leek in paniek, viel zijn tegenstander aan, niet diens argumenten. Geert verloor zijn superioriteit. De stop lijkt eruit, de gootsteen loopt leeg. Het was bijna gelukt. Arme Geert.