‘Heb je een fijne vakantie gehad of regen?’hoorde ik een vraag gesteld worden, als zouden beide elkaars tegenstelling zijn.. Dat is dus niet zo.
Ik herinner me een vakantie van lang geleden. Vijf jaar zal ik geweest zijn, bijna zes, en mijn zus vier. We stonden met onze vouwwagen op de camping aan de Semois, in de Ardennen. Van later datum zijn de rivier en de met hoge bomen begroeide helling die direct aan de overkant begon, de kraaien van wie het luide gekras dat ’s morgens en ’s avonds het enige geluid was in het dal. Ook nu nog, als ik nu nog kraaien hoor, dan zijn de kraaien van toen, op de camping aan de Semois. De Semois was breed en stroomde hard. De meterslange, lichtgroene waterplanten wuifden, woven, in de stroom. Als jongen heb ik gevist en gevangen. ‘Maden’ zijn ‘asticots’; zonder asticots vang je in Frankrijk niks, met wel: 300 op één dag. Ik ving ze, mijn zus onthaakte ze en deed ze in onze met water gevulde opblaasboot, vastgemaakt aan de planten. Al vissend heeft ooit ook een wesp rondom mij heen gevlogen. Met een wilde beweging dook ik onder, waarbij ik mijn bril verloor: een metaalkleurige bril in een snelstromende Franse rivier! In paniek beklom ik de oever en riep dat ik mijn bril kwijt was. Ik moest terug, zoeken. Ik stelde mij mijn vakantie zonder bril voor. Geloof het of niet: degeen die de wesp had gezonden had ook gemaakt dat mijn bril in de waterplanten verstrikt was geraakt!
Maar, goed, het ging over regen. Mijn vader lag ziek in de tent. Met mijn moeder en mijn zus ben ik naar het verderop aan de rivier gelegen Monthermé gelopen. Ik herinner me de regen, boven ons en onder ons was water, water, water. We zullen ook onder de bomen hebben gelopen, maar wat me nog helder voor de geest staat, is de kletsnatte weg. We staan in een bocht. Auto’s zijn er niet. Wel slakken, naaktslakken, donkerbruine en lichtbruine, kastanjebruine. Ik heb later in mijn leven nooit meer zulke mooie, grote, glimmende, gestaag en geruisloos kruipende naaktslakken gezien. Als het niet geregend had…